# 28 Geen zin meer in zwerven

In mijn waan had ik niet gelet op mijn lichaam. De gebeurtenissen van de bovenstaande hoofdstukken, en nog vele andere vreemde gebeurtenissen hadden al mijn aandacht opgeëist. Ondertussen waren er zes dagen in Lissabon voorbij gegaan. Al zes dagen geen portemonnee en dus geen fatsoenlijk eten. Mijn slaapplaatsen waren parkjes en harde stenen geweest.

 Er is maar zo veel dat een lichaam kan accepteren. Onvoldoende slaap, te weinig eten en te weinig drinken kunnen je psychisch ziek maken. Je lichaam gaat er natuurlijk ook van achteruit. Later zou ik me realiseren dat ik in de dagen waarin het boek zich afspeelt ongeveer twintig kilo lichter zou worden. Je kon mijn ribben tellen.

 Verward over waar ik was werd ik wakker. Er kwam een gevoel van frustratie bij me op ‘Oh ja, ik ben aan het zwerven in Lissabon’.

De harde stenen vloer hadden mijn spieren stijf gemaakt. De nacht ervoor was ik terechtgekomen in een oud appartementengebouw, waar ik in het trappenhuis in slaap was gevallen.

Buiten was het weer volop licht en warm. Daar was ik blij om want de nacht ervoor had ik het erg koud gehad.
Uitgehongerd. Het kwam bij me op dat ik dagen niet fatsoenlijk gegeten had. Ik keek naar mijn stoffige en kapotte broek. Deze zat erg losjes rond afgevallen lichaam. Ik moest eten.

Zonder er verder over na te denken liep ik naar het eerste restaurantje dat ik zag. Daar wist ik uit te leggen dat ik honger had, en geen geld.
‘Kom maar mee naar achteren’ zei een nuchtere man tegen me. Hij zette me uit het zicht van de andere klanten. Even later stond er een bord met eten voor me. Restjes van de keuken. Erg dankbaar at ik het eten schoon op. Heerlijk. Het eten versterkte me verwaarloosde lichaam.

Een deel van mij wou niet om hulp vragen. ‘Maar het zal wel moeten’ dacht ik terwijl ik mijn lip beet ‘je hebt jezelf zo laten gaan dat je nu niet meer anders kan dan hulp zoeken.’ Nu moest ik een plek hebben om te bellen.

Even verderop kwam ik bij een toeristenbureau. Hier wouden ze mij vast wel helpen.
‘Ik zou graag bellen naar me broer’ zei ik in het Engels. De vrouw achter de balie keek me geschrokken aan. ‘we zijn een toeristenbureau’ zei de vrouw.
‘Ja dat weet ik’ zuchtte ik ‘maar het is belangrijk’.
‘Maar waarom dan?’ vroeg de vrouw voorzichtig.
‘Het is niet meer leuk hier, hij moet me komen redden’ zei ik, nog altijd erg verward.
Ze overlegde met haar collega’s ‘Ga daar maar even zitten wachten’ zei ze op professionele toon.’
En dat deed ik.

In mijn herinnering was ik op dat moment erg helder. Achteraf is mij echter verteld dat ik heel erg verward overkwam. Ik sprak zinnen uit die geen verband leken te hebben met elkaar. Mijn rare gedrag zette het hele toeristenbureau op stelten. Met moeite konden ze genoeg informatie uit mij halen om mij te kunnen helpen.

Het volgende hoofdstuk staat nog niet op de site! Klik hier als je hem toch wilt!