# 17 Officieel achtergelaten

De agenten wisten niet wat ze met mij aan moesten. Waarschijnlijk hebben ze geen zinnig woord uit mij kunnen krijgen. Ze hadden natuurlijk te maken met bureaucratische regels waar ze zich aan moesten houden. Ze konden mij kennelijk niet zomaar laten gaan zonder een officiële procedure. Daarom brachten ze me naar een hoofdkantoor waar iemand met meer gezag een uitspraak over mij kon doen. En dat zonder dat ze wisten dat de agenten nog voor een raadsel stonden.

Een paar uur later zat ik bij het hoofdbureau in het Centrum van Lissabon. Een aardige agent, die eerder mijn chauffeur was geweest, was mee. Mijn handboeien werden losgemaakt en hij legde mij het plan nog een keer uit. ‘alleen zeggen dat ik mijn paspoort kwijt ben’ herhaalde ik. Als ik meewerkte zou ik geen straf krijgen.

De agenten brachten mij gebracht naar een grote chique kamer. Ze lieten me alleen binnengaan in een grote kamer, waar een oudere agent met allerlei strepen en dingen op zijn schouders achter een groot bureau zat te werken.
‘Wat kan ik voor je doen?’ zei hij op een aardige toon.
‘Ik ben mijn paspoort’ zei ik nerveus.
Hij keek me een beetje vreemd aan, maar ging door. ‘Hoe is dat zo gebeurt’

Natuurlijk liet ik weg dat ik de Fontijn had vernielt. Wat overbleef was een warrig verhaal waar hij niks mee op schoot. Hij liet mij een formulier invullen en stuurde mij weg. Omdat juist hij mij weg stuurde was ik weer vrij, zonder verdere procedure.

Buiten dit kantoor stond de aardige politie chauffeur agent me op te wachten.
‘Hoe ging het’ vroeg hij me voorzichtig.
‘Goed’ zei ik hem een beetje onzeker ‘
‘Mooi’ zei deze agent opgelucht ‘goed gedaan’
‘Kan ik nu.. gewoon weglopen?’ vroeg ik zachtjes.
Hij gaf me een grote glimlach ‘Jep, je bent vrij’.

 Het was al avond geworden toen ik ongeboeid buiten politiebureau stond. De aardige agent was nog een stukje met me meegelopen.
‘Red jij je wel?’ vroeg hij me op een bezorgde toon. ‘Zal ik een slaapplek voor je regelen?’
‘Komt goed.’ Zei ik lachend. ‘Er zit nog wat cash in mijn backpack. Als ik die terug heb kan ik door naar mijn broer in zuid Portugal.’

Voordat ik was weggegaan op mijn liftreis had ik een stapeltje geld meegenomen. Dus ik wist dat als ik mijn backpack vond, dat ik eventjes genoeg geld zou hebben.

Ineens pakte hij mijn hand. Met een zwarte stift schreef hij er een telefoonnummer op. “Dat is een nummer van een hulpdienst. Als je dit belt, zullen ze je onderdak, eten, eigenlijk gewoon alles geven wat je nodig hebt.”
‘Waarom schrijf je het op mijn hand?’ vroeg ik verbaasd.
‘Tja’, zei hij ‘ik kan je wel een kaartje geven maar die raken mensen zoals jij altijd kwijt.’
Ik begreep niet wat hij daarmee bedoelde.

Achteraf wist deze agent dat ik psychisch niet goed in orde was. Toch bracht hij mij niet naar een psychiater of psycholoog. Hij liet mij gewoon gaan.

volgende hoofdstuk